Kaderbrief 2027-2030

Hoofdlijnen

1.1 Hoofdlijnen

Het uitgangspunt voor de Voorjaarsnota 2026 – 2030 is het meerjarenbeeld zoals dat is opgenomen in de Begroting 2026, aangevuld met de jaarschijf 2030. Omdat begrotingsbijstellingen aan de nieuwe coalitie zijn, zijn in deze voorjaarsnota alleen autonome ontwikkelingen en budgetneutrale wijzigingen opgenomen.
In onderstaande tabel staan de in deze voorjaarsnota voorgestelde autonome begrotingswijzigingen met een saldo-effect die leiden tot een nieuw financieel meerjarenbeeld 2026 – 2030. Dit sluit aan bij het financieel meerjarenbeeld zoals dat gepresenteerd is in de staat van de financiën.

bedragen * € 1.000

2026

2027

2028

2029

2030

1

Saldo begroting 2026

0

0

21.461

24.583

32.732

Autonome ontwikkelingen

2

Septembercirculaire 2025

-740

-199

-284

28

-4.738

3

Decembercirculaire 2025

1.053

484

-139

-332

-547

4

Loon-, prijs- en subsidie indexatie

125

15.389

15.176

15.112

15.110

5

Meicirculaire 2026 (verwacht effect ter dekking indexatie)

0

-15.389

-15.176

-15.112

-15.110

6

Ontwikkelingen salarisbudget

-206

-166

-166

-166

-166

7

Treasury (rente)

-50

407

482

87

662

8

Kapitaallasten investeringen

-1.047

-623

37

224

378

9

Ontwikkelingen verbonden partijen

462

434

434

434

434

10

Jeugdzorg ontwikkeling

-2.400

1.185

1.185

1.185

1.185

11

Wmo ontwikkeling

-258

1.794

3.544

3.544

3.544

12

BUIG-voordeel

0

0

-1.500

0

0

13

Niet realiseren halvering eigen risico zorgverzekering

0

700

700

700

700

14

Ontwikkelingen openbare ruimte

125

125

125

125

125

15

Overige ontwikkelingen

599

690

691

541

563

Saldo autonome ontwikkelingen

-2.337

4.831

5.109

6.370

2.140

16

Reeds genomen raadsbesluiten -
bijstelling naheffingsaanslagen parkeerbelasting

-173

-173

-173

-173

-173

Nieuw saldo meerjarenbegroting

-2.510

4.658

26.397

30.780

34.699

Toelichting

  1. Totaal saldo begroting 2026
    Dit is het saldo van vastgestelde begroting 2026. De jaarschijf 2030 is toegevoegd. Het verschil in de jaarschijf 2029 naar 2030 wordt grotendeels veroorzaakt door:
  • Stijging van kapitaallasten met € 1,9 mln.
  • Groei van de stad van € 2,3 die per jaarschijf beschikbaar is om de kosten van groei van de gemeente uit te dekken. Dit is het eerste document waarin de jaarschijf 2030 wordt toegevoegd aan het financieel beeld en daarmee ook de jaarschijf 2030 voor groei van de stad. Deze wordt gedekt uit de jaarschijf 2030 van het gemeentefonds die nu ook voor het eerst is opgenomen (onder punt 2. Septembercirculaire).
  • Inzet uit de egalisatiereserve van maximaal 10% vrije ruimte van de algemene reserves als structureel dekkingsmiddel. Bij de begroting 2026-2029 is hier gebruik van gemaakt voor de jaren 2026 t/m 2029. In 2029 is hier € 3,6 mln. voor begroot en heeft een positief effect op het begrotingssaldo. Dit leidt tot een verschil met 2030.


  1. Septembercirculaire
    Dit is het netto effect van de uitgebrachte septembercirculaire 2025. In de raadsinformatiebrief over de septembercirculaire (9691212
    ) zijn de effecten toegelicht.


  1. Decembercirculaire
    Dit is het netto effect van de uitgebrachte decembercirculaire 2025. In de raadsinformatiebrief over de decembercirculaire (9932150
    ) zijn de effecten toegelicht.


  1. Loon-, prijs en subsidie indexatie
    De budgetten zijn opgehoogd met de indexatie.
  • Loonindexatie: De huidige cao voor gemeenteambtenaren loopt op 1 april 2027 af. Voor de looncompensatie in 2027 zal bij de begroting uitgegaan worden van de loonvoet sector overheid uit de CEP-raming 2026 van het Centraal Plan Bureau. Deze is 4,2%.
  • Uitgangspunt voor de prijscompensatie is de prijs netto materiële overheidsconsumptie uit de CEP-raming 2026. Deze is voor 2027 2,1%.
  • De verhoging van de subsidies is een afgeleide van de loonstijging en de prijsstijging. Hierbij telt de loonstijging voor 70% en de prijsstijging voor 30% mee. Hieruit volgt een subsidie-index van 3,57%.
    In totaal leiden de loon- en prijsindexaties tot een netto verhoging van de lasten met ruim € 15 mln.


  1. Meicirculaire (verwacht effect ter dekking indexatie)
    In de meicirculaire gemeentefonds 2026 zal een meerjarenraming zijn opgenomen van de accres ontwikkeling voor de jaren na 2026. Vooralsnog houden we er rekening mee dat de accresverhoging in de circulaire voldoende groot is om de gemeentelijk indexatielasten (zoals opgenomen in regel 4.) te dekken. De exacte hoogte van het accres van het gemeentefonds blijft echter tot de dag van publicatie van de meicirculaire onzeker.


  1. Ontwikkeling salarisbudget
    De werkelijke premies voor de sociale lasten en de pensioenen vallen lager uit dan verwacht, wat leidt tot een voordeel. In het salarisbudget was een taakstelling opgenomen waarmee extra personeel is aangetrokken om urgente knelpunten op te lossen. Deze taakstelling wordt nu afgerond door deze tegen te boeken. Daarnaast is er vanaf 2027 een nadeel vanwege de correctie op inschaling. Per saldo leiden deze drie mutaties tot een voordeel van € 0,17 mln.


  1. Treasury (rente)
    De rente parameters zijn niet gewijzigd t.o.v. de begroting. De kortlopende rente blijft 2% en langlopend 3,5%. De effecten van het treasuryjaarplan en de begroting 2026 zijn verwerkt. De investeringsuitgaven voor 2026 en volgende jaren zijn geactualiseerd. In 2026 ontstaat een klein voordeel vanwege het uitstellen van investeringen naar latere jaren. In 2027 en verder ontstaan hierdoor juist nadelen, vanwege hoge investeringen in deze jaren. Daarvoor moet (langlopende) financiering worden aangetrokken (doorgerekend tegen 3,5% rente).

  2. Kapitaallasten investeringen
    Op basis van de werkelijke investeringsuitgaven in 2025 en voortschrijdende inzichten zijn de investeringsuitgaven voor 2026 en volgende jaren geactualiseerd. In 2026 hebben we een voordeel van € 1,0 mln. Dit komt doordat investeringen van € 48 mln. in 2025 niet zijn gerealiseerd, waardoor de afschrijvingen een jaar later starten. In sommige gevallen start de afschrijving 2 jaar later. Daardoor is er ook in 2027 nog een voordeel. Het effect slaat vanaf 2029 om naar een nadeel, dit komt door het doorvoeren van indexatie met name bij onderwijs en openbare ruimte en door bijstellingen bij vervoersmanagement.

  3. Ontwikkelingen verbonden partijen

bedragen * € 1.000

2026

2027

2028

2029

2030

a.

GGD: Kostenstijging Veilig Thuis

164

164

164

164

164

b.

GGD: Verhoging tarieven plustaken

178

178

178

178

178

c.

GGD: Herstel ingerekend voordeel voor JGZ

240

240

240

240

240

d.

VRZW: Bijstelling begroting

-440

-440

-440

-440

-440

e.

VRZW: Indexatie

-93

-93

-93

-93

f.

VRZW: Terugdraaien maatregel taakstelling 2%

320

320

320

320

320

g.

VRZW: Verbouwing Brandweer locatie Prins Bernardplein

43

43

43

43

h.

Omgevingsdienst NZKG: Uitbreiding wettelijke basistaken

22

22

22

22

Totaal

462

434

434

434

434

  1. GGD: Kostenstijging Veilig Thuis
    Sinds 2021 constateert Veilig Thuis een structurele toename van het aantal meldingen, een significante stijging in complexiteit van de casuïstiek en een intensivering van de maatschappelijke en juridische druk op de organisatie. Daartegenover staat een ongewijzigd aantal fte. De afgelopen jaren heeft Veilig Thuis intern diverse maatregelen genomen om de toename van werk op te vangen. Daar is de rek nu uit. Deze structurele disbalans leidt ertoe dat Veilig Thuis steeds vaker niet kan voldoen aan hun wettelijke verplichting: namelijk tijdig zicht op veiligheid in elk gezin waarover een melding is gedaan. De structurele disbalans vraagt om een structurele oplossing. Op basis van de huidige wachtlijst en de verwachte instroom betekent dit dat een uitbreiding van 2,6 fte Specialist Veilig Thuis, 0,3 fte Vertrouwensarts Veilig Thuis en 0,17 fte Gedragswetenschapper Veilig Thuis noodzakelijk is. De totale kosten hiervoor zijn € 0,35 mln., waarvan het aandeel voor de gemeente Zaanstad € 0,164 mln. is.
    Veilig Thuis is in die zin een openeinderegeling, omdat een toename van meldingen leidt tot meer werk. Het voorstel tot uitbreiding van de capaciteit van Veilig Thuis is zeer kritisch beoordeeld in de governance-structuur van de GGD. Noodzaak van deze capaciteitsuitbreiding wordt breed erkend.
  2. GGD: Verhoging tarieven plustaken
    In de afgelopen jaren zijn de tarieven voor de plustaken van de GGD sterker toegenomen dan het budget hiervoor. Dit komt doordat de indexatie van de budgetten lager ligt, dan de daadwerkelijke loonkostenstijging bij de GGD. Daarbij is ook de toerekening van overheadskosten aan plustaken veranderd, wat voor sommige taken heeft geleid tot hogere kosten. Een deel van deze kostenverhoging kon tot nu toe worden opgevangen doordat de  gerealiseerde kosten lager waren dan begroot (o.a. door krapte op de arbeidsmarkt). Inmiddels is dit niet meer op te vangen. Hierdoor leidt de kostenstijging voor plustaken van de GGD tot € 0,178 mln. aan hogere kosten vanaf 2026 voor Zaanstad.
  3. GGD: Herstel ingerekend voordeel voor JGZ
    In de Kadernota 2025 van de GGD is een herijking van het takenpakket voor jeugdgezondheidszorg (JGZ) opgenomen. Een deel van de zogenaamde plustaken die Zaanstad afneemt, zou worden verschoven naar het basispakket van de GGD. De kosten voor het basispakket worden verdeeld naar rato van inwonersaantallen van de deelnemende gemeenten. Doordat voor Zaanstad een relatief groot deel van de plustaken zou overgaan naar het basispakket, zou dit herverdeeleffect voor Zaanstad leiden tot een voordeel. De inschatting hiervan was gemaakt door de GGD en opgenomen in de kadernota. Op basis hiervan had Zaanstad dit voordeel verwerkt. Er zijn echter minder (gemeenschappelijke) plustaken JGZ naar het basispakket van de GGD overgebracht dan waar vanuit werd gegaan. Hierdoor is het voordeel voor Zaanstad op JGZ niet gerealiseerd en moet dit worden teruggedraaid.
  4. VrZW: Bijstelling begroting
    De kosten voor de VrZW in de begroting van Zaanstad zijn € 0,44 mln. hoger opgenomen dan de kosten opgenomen in de begroting van de VrZW. De begroting wordt hierop aangepast en leidt daarmee tot een voordeel van € 0,44 mln.
  5. VrZW: indexatie
    De VrZW hanteert voor de begroting 2027 en verder een indexpercentage van 3,06%, waarbij Zaanstad rekening houdt met een index van 3,57%. Dit resulteert in een lagere bijdrage aan de VrZW.
  6. VrZW: Terugdraaien maatregel taakstelling 2%
    De gemeente Zaanstad heeft in 2025 een zienswijze ingediend, waarin zij de VrZW verzoekt om in de begroting 2026 een taakstelling van 2% besparing door te voeren. Tijdens de vergadering van het Algemeen Bestuur in juli 2025 is deze zienswijze echter niet overgenomen. Hierdoor wordt de voorgenomen besparing van 2% in 2026 niet gerealiseerd. De verwachting is dat deze ook in 2027 e.v. niet wordt gerealiseerd.
  7. VrZW: Verbouweing  Brandweer locatie prins Bernardplein
    De verbouwing van de brandweer voor toekomstbestendige brandweerzorg aan de locatie Prins Bernardplein is duurder dan vooraf ingeschat. Dit leidt tot hogere kapitaallasten van € 0,115 mln. Zaanstad heeft toegezegd voor € 0,076 mln. deze kosten te dekken. Voor € 0,033 mln. is er dekking beschikbaar (vanuit de locatie Botenmakerstraat die niet meer gebruikt gaat worden). De overige € 0,043 mln. is geen dekking beschikbaar.
  8. Omgevingsdienst NZKG: Uitbreiding wettelijke basistaken
    De kaderbrief 2027 van de OD NZKG is opgesteld. De bijdrage aan de omgevingsdienst neemt vanaf 2027 meer toe dan alleen indexatie als gevolg van volume ontwikkelingen (€ 0,04 mln.) en kosten voor het uitvoeren van de wettelijke basistaken op het gebied van ketentoezicht (incl. milieucriminaliteit), circulaire economie, MER werkzaamheden, toenemende (overlast)meldingen, indirecte lozingen en aanpassing van vergunningen in het kader van de omgevingswet (€ 0,06 mln.). Daarnaast zijn de kosten in relatie tot het (Provinciale) Energiebesparingsakkoord die vanuit een provinciale subsidie werden gefinancierd per 1 januari 2027 (€ -0,08 mln.) uit de begroting van de OD gehaald, omdat het vervolg hiervan nog onduidelijk is. De verwachting is dat hier weer een provinciale subsidieregeling op komt.


  1. Jeugdzorg ontwikkeling

bedragen * € 1.000

2026

2027

2028

2029

2030

a.

Bijstelling begroting jeugdhulp op basis van (voorlopig) gerealiseerde kosten 2025

-2.400

-2.400

-2.400

-2.400

-2.400

b.

Volumegroei jeugdhulp van 4,7% in 2027

3.305

3.305

3.305

3.305

c.

Indexatie tarieven jeugdhulp in 2027 (verschil met indexatie begroting)

243

243

243

243

d.

Indexatie budget Jeugdteam in 2027 (verschil met indexatie begroting)

37

37

37

37

Totaal

-2.400

1.185

1.185

1.185

1.185

  1. Bijstelling begroting jeugdhulp op basis van (voorlopig) gerealiseerde kosten 2025
    Jaarlijks wordt de begroting voor specialistische jeugdhulp bijgesteld aan de hand van de gerealiseerde kosten over het voorgaande jaar. De voorlopige cijfers (peildatum 2 maart 2026) laten zien dat in 2025 de kosten voor jeugdhulp minder hard zijn gestegen dan in de begroting was opgenomen. Dit werkt door tot een voordeel van € 2,4 mln. in 2026 en verder.
    In de begroting van 2025 werd rekening gehouden met een volumegroei van 4,7% jeugdhulp. Het aantal jeugdigen met jeugdhulp is daadwerkelijk met ongeveer 3% toegenomen. De gemiddelde zorginzet/kosten per jeugdige met jeugdhulp zijn licht afgenomen. Hierdoor zijn de kosten in 2025, op een budget van € 75 mln., ruim 3% lager uitgevallen dan begroot. Verklaring hiervoor op hoofdlijnen: Hoewel de inzet van lichtere vormen van jeugdhulp is toegenomen, is de inzet van hoog specialistische jeugdhulp niet verder gegroeid. Het aantal jeugdigen met jeugdhulp in verblijf is afgenomen.
  1. Volumegroei jeugdhulp van 4,7% in 2027
    In de afgelopen jaren zijn de kosten voor jeugdhulp steeds verder gestegen. Hoewel de volumegroei van de jeugdhulp in 2025 is afgeremd tot 3%, is het vooralsnog niet aannemelijk dat de kosten voor jeugdhulp in 2027 niet meer gaan groeien. De verwachte volumegroei van jeugdhulp kan niet anders worden voorspeld dan op basis van ervaringscijfers van de afgelopen jaren en landelijke adviezen. De deskundigencommissie van de Hervormingsagenda Jeugd heeft het Rijk geadviseerd om voor volumegroei van jeugdhulp het budget voor gemeenten jaarlijks met 4,7% te verhogen. De ervaringscijfers van Zaanstad laten in de laatste jaren een hogere gemiddelde groei zien.
    Een volumegroei van 4,7% in 2027 leidt tot € 3,762 mln. verwachte kostenstijging. Hiervan wordt 0,6% groei (= € 0,457 mln.) ten laste gebrachte van de stelpost Groei van de Stad, omdat het aantal jeugdigen naar verwachting met 0,6% toeneemt in 2027. De resterende volumegroei leidt tot een nadeel van € 3.305 mln. in de begroting vanaf 2027.
  1. Indexatie tarieven jeugdhulp in 2027 (verschil met indexatie begroting)
    De indexatie van de tarieven voor jeugdhulp is op basis van de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA). De OVA is een indexcijfer voor de gemiddelde loonkostenstijging in de zorg. In de overeenkomsten met aanbieders zijn de afspraken over indexatie van de tarieven jeugdhulp vastgelegd.
    De budgetten in de begroting worden geïndexeerd op basis van indexcijfers uit het Centraal Economisch Plan. Voor de budgetten jeugd wordt de subsidie-index (3,57%) gehanteerd. De voorlopige OVA voor 2027 (incl. correctie voor OVA 2026) is 3,86%. Voor het verschil wordt de begroting voor jeugdhulp bijgesteld. Dit leidt tot een bijstelling van € 0,243 mln.
  2. Indexatie budget Jeugdteam in 2027 (verschil met indexatie begroting)
    Vergelijkbaar als voor de jeugdhulp, wordt het budget voor het Jeugdteam jaarlijks ook geïndexeerd op basis van de OVA. De afspraken hierover zijn vastgelegd in de overeenkomst met het Jeugdteam. Dit leidt tot een bijstelling van € 0,037 mln.


  1. Wmo-ontwikkeling

bedragen * € 1.000

2026

2027

2028

2029

2030

a.

Bijstelling begroting Wmo op basis van (voorlopig) gerealiseerde kosten 2025

-649

-649

-649

-649

-649

b.

Gevolgen van hogere tarieven Wmo (inkoop 2027)

1.750

3.500

3.500

3.500

c.

Hogere indexatie kosten Maatschappelijke Opvang

151

151

151

151

151

d.

Indexatie tarieven Wmo in 2027 (verschil met indexatie begroting)

-29

-29

-29

-29

e.

Indexatie budget Sociaal Wijkteams in 2027 (verschil met indexatie begroting)

-19

-19

-19

-19

f.

Hogere kosten kortdurende opvang (Boschjesstraat)

350

350

350

350

g.

Winterkouderegeling (WKR)

240

240

240

240

240

Totaal

-258

1.794

3.544

3.544

3.544


  1. Bijstelling begroting Wmo op basis van (voorlopig) gerealiseerde kosten 2025
    Jaarlijks wordt de begroting voor maatwerk Wmo bijgesteld aan de hand van de gerealiseerde kosten over het voorgaande jaar. De voorlopige cijfers over 2025 (peildatum 2 maart 2026) laten zien dat de kosten voor Wmo lager uitvallen dan begroot. Dit werkt door tot een voordeel van € 0,649 mln. vanaf 2026.
    Met name de kosten voor Wmo maatwerk (o.a. huishoudelijke hulp en begeleiding) en Beschermd Wonen zijn minder sterk gestegen dan dat voor 2025 werd verwacht. Dit komt doordat er relatief meer lichtere vormen van Wmo maatwerk zijn ingezet. De inzet van huishoudelijke hulp is toegenomen, terwijl de inzet van (duurdere) begeleiding en dagbesteding gelijk is gebleven. Ook is er meer ingezet op Beschermd Thuis in plaats van het duurdere Beschermd Verblijf. Hierdoor zijn de kosten voor Wmo lager uitgevallen dan begroot.
    Ook speelt de krapte op de arbeidsmarkt een rol in de beperkte groei van de kosten. De capaciteit bij zowel de Sociaal Wijkteams als de aanbieders van Wmo maatwerk is onvoldoende om de stijgende vraag naar ondersteuning vanuit de Wmo op te vangen. Hierdoor neemt de druk op de Wmo toe en duurt het gemiddeld langer voordat de ondersteuning kan worden ingezet voor personen die dit nodig hebben.
  2. Gevolgen van hogere tarieven Wmo (inkoop 2027)
    Voor de inkoop van Wmo maatwerk per 2027 zijn nieuwe producten en nieuwe tarieven bepaald. Hiervoor is een kostprijsonderzoek uitgevoerd. Daarmee voldoen de tarieven aan de wettelijke verplichte “AMvB Reële Prijs Wmo”. Deze nieuwe tarieven leiden tot een stijging van de kosten voor Wmo vanaf 2027.
    De huidige tarieven zijn namelijk al jaren geïndexeerd op basis van de gemiddelde loonkostenstijging in de zorgsector (de zogenaamde OVA). De loonkosten in de Wmo zijn de laatste jaren sterker gestegen dan deze indexatie. Het rechttrekken hiervan bij de nieuwe tariefbepaling leidt tot hogere kosten voor Wmo. Dit is onvermijdbaar risico van de nieuwe inkoop Wmo door de verplichting om reële tarieven vast te stellen.
    De producten en de bekostiging worden ook anders dan nu. Dit gaat van trajectfinanciering (vast bedrag per maand) naar financiering per geleverde inspanning (bedrag per geleverd uur). Door de huidige trajectfinanciering heeft de gemeente geen inzicht in de daadwerkelijke ureninzet waar straks voor wordt betaald. Ook zijn de nieuwe uurtarieven niet goed te vergelijken met de huidige trajectprijzen. Hierdoor kan het effect van de nieuwe tarieven op de kosten voor Wmo maatwerk niet goed worden bepaald.
    Het risico is ingeschat op een kostenstijging van 20% (+ € 7 mln.) per jaar. Uitgegaan wordt van een nadeel door de hogere tarieven van € 3,5 mln. per jaar, met een aanloop van € 1,75 mln. in 2027. Een hogere kostenstijging is als risico opgenomen.
    Voorafgaand aan de implementatie wordt gemonitord hoe de kosten voor Wmo maatwerk zich na het omzetten van de indicaties gaan ontwikkelen. Hoewel de invloed op de tarieven en indicatiestelling (aantal uren) beperkt is, zal waar dat mogelijk is worden gestuurd op een beperking van de kostenstijging. Zodra de financiële gevolgen kunnen worden bepaald, wordt dit bijgesteld in de begroting.
  3. Hogere indexatie kosten Maatschappelijke Opvang
    De gemeente verleent via een subsidie een bijdrage aan Leger des Heils voor de maatschappelijke opvang. Hiervoor is in de Begroting 2026 een subsidieplafond opgenomen die 2,03% (= subsidie-index) hoger ligt dan in 2025. De werkelijke kosten om de maatschappelijke opvang te kunnen organiseren, zijn voor Leger des Heils sterker gestegen.
    De laatste jaren was onze subsidie-index lager dan de daadwerkelijke loonkostenstijging in de cao’s.
    Maatschappelijke opvang is een wettelijke taak van de gemeente. Hierdoor mag het subsidieplafond niet leiden tot het niet uitvoeren hiervan. De hogere kostenstijging van € 0,151 mln. per 2026 is het bedrag aan kostenstijging dat onvermijdelijk is om de maatschappelijke opvang te kunnen organiseren.
  4. Indexatie tarieven Wmo in 2027 (verschil met indexatie begroting)
    De indexatie van de tarieven voor Wmo is op basis van de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) en prijsontwikkelingen (PPC). De OVA is een indexcijfer voor de gemiddelde loonkostenstijging in de zorg. In de overeenkomsten met aanbieders zijn de afspraken over indexatie van de tarieven Wmo vastgelegd.
    De budgetten in de begroting worden geïndexeerd op basis van indexcijfers uit het Centraal Economisch Plan. Voor de budgetten Wmo wordt de subsidie-index (3,57%) gehanteerd. Voor het verschil tussen deze indexen wordt de begroting voor Wmo bijgesteld. Het verschil voor 2027 is gering, de begroting wordt bijgesteld met een klein voordeel van € 0,029 mln.
  5. Indexatie budget Sociaal Wijkteams in 2027 (verschil met indexatie begroting)
    Vergelijkbaar als voor de Wmo, wordt het budget voor de Sociaal Wijkteams jaarlijks ook geïndexeerd op basis van de OVA en PPC. Dit leidt tot een klein voordeel van € 0,019 mln.
  1. Hogere kosten kortdurende opvang (Boschjesstraat)
    Op grond van de Wmo heeft de gemeente de wettelijke taak om dak- en thuislozen niet alleen op te vangen, maar ook begeleiding te bieden. Deze begeleiding hoort bij de taak om de situatie van dak- en thuislozen eerst te stabiliseren en vervolgens deze personen weer toe te leiden naar herstel en deelname aan de maatschappij.
    De planning is dat eind 2026 de locatie in de Boschjesstraat in gebruik kan worden genomen voor kortdurende opvang. De kosten hiervoor liggen € 0,35 mln. hoger dan waar, op basis van de inschatting in 2023-2024, vanuit is gegaan in de begroting voor 2027. Dit komt doordat de doelgroep complexer en zwaarder is, waardoor de inzet van meer personeel nodig is om ook de nodige begeleiding overdag in te zetten. Ook de verzorgings- en activiteitenkosten zijn hierdoor toegenomen. Het gaat om verschil van 2,5 fte ten opzichte van de eerdere inschatting.
  2. Winterkouderegeling (WKR)
    De WKR is een wettelijke basistaak waarbij de gemeente extra opvang moet bieden bij extreme weersomstandigheden en vrieskou. Tot 2024 konden dak- en thuislozen vaak worden doorverwezen naar Amsterdam, maar die uitwijkmogelijkheid is niet meer mogelijk. Voor de huidige winter 2025-2026 zijn er afspraken gemaakt met o.a. hotels en aanbieders (zoals Leger des Heils, locatie Goudastraat). Dit kost € 0,24 mln. boven de reguliere subsidie voor opvang. Deze middelen zijn jaarlijks nodig om de WKR uit te voeren. Dit bedrag kan jaarlijks fluctueren afhankelijk van de temperatuur en duur van de kou. Afrekening vindt plaats o.b.v. werkelijke kosten.
    De locatie Goudastraat is met ingang van de winter 2026-2027 niet meer beschikbaar. De eenmalige investering voor een structurele oplossing (zijnde de inrichting van een opvanglocatie WKR) is opgenomen als knelpunt in hoofdstuk 4.4.


  1. BUIG-voordeel
    Het rijk verdeelt het uitkeringenbudget (BUIG-budget) over gemeenten via niet-beïnvloedbare factoren in eerdere jaren. Als een gemeente in verhouding minder uitkeringen verstrekt dan landelijk gemiddeld, kan dat leiden tot een positief buigsaldo. In Zaanstad daalde het aantal uitkeringen tot en met 2023 harder dan gemiddeld, waardoor het aantal uitkeringen ten opzichte van de totale bevolking in Zaanstad lager is dan bij vergelijkbare gemeenten. Hierdoor realiseert Zaanstad al jaren een voordeel op de BUIG. De aanpak Werk of meedoen heeft aan dit resultaat bijgedragen. Wij verwachten dat de aanpak zijn vruchten blijft afwerpen. Daarom wordt ook voor 2028 een positief buigsaldo opgevoerd in de begroting, vergelijkbaar met 2027 (€ 1,5 mln.). De financiering middels de BUIG systematiek noopt tot voorzichtigheid, daarom wordt dit voordeel niet verder dan drie jaar vooruit ingeboekt.  
    Randvoorwaarden voor het realiseren van dit voordeel zijn voortzetting van de participatieaanpak en geen wijziging in het objectieve verdeelmodel. De onzekerheid over het toekomstig buigsaldo is als risico opgenomen in de paragraaf Weerstandsvermogen.  


  1. Niet realiseren halvering eigen risico zorgverzekering
    De verwachte halvering van het eigen risico op basis van het regeerakkoord van het vorige kabinet is als bezuinigingsmaatregel in de begroting verwerkt. In het nieuwe regeerakkoord is juist opgenomen om het eigen risico te verhogen. Deze bezuinigingsmaatregel is daarom niet meer realistisch en wordt daarom teruggedraaid.  


  1. Ontwikkelingen openbare ruimte

bedragen * € 1.000

2026

2027

2028

2029

2030

a.

Bijstelling inkomsten zwerfafval

-75

-75

-75

-75

-75

b.

Klepelverbod

200

200

200

200

200

Totaal

125

125

125

125

125

  1. Bijstelling inkomsten zwerfafval
    Zaanstad ontvangt inkomsten uit verschillende regelingen rondom zwerfafval en verpakkingen. In 2025 heeft het Rijk besloten dat producenten van kunststofverpakking een vergoeding moeten betalen aan gemeenten voor de aanpak van zwerfafval. De inschatting was dat Zaanstad per jaar ongeveer € 0,45 mln. zou ontvangen. O.b.v. de realisatie over 2024 blijkt dit bedrag € 0,075 mln. lager te zijn. De begroting wordt daarom bijgesteld. Daarnaast ontvangt de gemeente sinds 2023 een aparte vergoeding voor het verpakkingsafval in openbare prullenbakken. Deze regeling is vanaf 2024 structureel ingericht en levert Zaanstad ongeveer € 0,15 mln. per jaar op. Deze opbrengst was nog niet verwerkt in de begroting. Per saldo ontstaat hierdoor een structureel voordeel van € 0,075 mln.
  1. Klepelverbod
    Klepelen is een maaimethode waarbij een machine met snel roterende messen (klepels) vegetatie, zoals gras, struiken en takken, fijnmaalt en versnippert in plaats van het af te snijden. De Minister van LVVN heeft in 2025 besloten dat het niet meer mogelijk is om het klepelen in de gedragscodes van waterschappen en gemeenten op te nemen. Het is daarmee niet meer mogelijk om in openbare ruimte te klepelen, uitgezonderd waar dit onvermijdelijk is in het belang van veiligheid. Het alternatief voor klepelen is maaien en het afvoeren van het maaisel. De hogere kosten hiervan zijn op jaarbasis geraamd op € 0,2 mln.



  1. Overige ontwikkelingen

bedragen * € 1.000

2026

2027

2028

2029

2030

a.

Reserveringssysteem Port of Amsterdam

35

35

35

35

35

b.

Verzelfstandiging riviercruisevaart

103

103

103

103

103

c.

Kostenstijging Zorg en Veiligheidshuis Zaanstreek-Waterland (uitvoering WGS en Wet PARTA)

125

125

125

125

d.

Lagere opbrengst fietshandhaving

100

100

100

100

100

e.

Juridische capaciteit voor lopende procedures i.v.m. Omzettingsbeleid 2007

150

150

150

f.

Stelpost onderbesteding product 3.1 niet haalbaar

109

177

178

178

200

g.

Tractiekosten grofvuil en dumpingen

101

101

101

101

g.

Tractiekosten grofvuil en dumpingen - dekking tarief afvalstoffenheffing

-101

-101

-101

-101

h.

Haalbaarheidsonderzoeken IHP

102

Totaal

599

690

691

541

563

  1. Reserveringssysteem Port of Amsterdam
    De gemeente maakt voor het faciliteren van riviercruiseschepen (reservering van kades) gebruik van CruiseDock, het reserveringssysteem van Port of Amsterdam. Port of Amsterdam bracht hier tot nu toe geen kosten voor in rekening en deze zijn dus ook niet begroot. Met ingang van 1 januari 2026 gaat Port of Amsterdam deze kosten wél in rekening brengen. Deze dienen dan ook in de begroting te worden opgenomen. De kosten zijn geraamd op basis van 600 reserveringen per jaar.  
  2. Verzelfstandiging riviercruisevaart
    Tot 1 september 2025 voerde Port of Amsterdam taken uit t.a.v. reserveringen, facturering, communicatie en planning van riviercruise- en partyschepen. Door landelijke ontwikkelingen in de cruisevaart was het voor Port of Amsterdam nodig haar werkzaamheden voor andere havens te herprogrammeren. Hierdoor is Zaanstad sinds 1 september 2025 zelf verantwoordelijk voor alle reserveringen, facturering, communicatie en planning van riviercruise en partyschepen die Zaanstad willen bezoeken. Om deze werkzaamheden uit te voeren is één FTE nodig. Als deze capaciteit niet wordt ingezet kunnen kades niet meer worden verhuurd en leidt dat voor Zaanstad tot een derving van € 0,35 mln. reserveringsgelden.
  3. Kostenstijging Zorg en Veiligheidshuis Zaanstreek-Waterland (uitvoering WGS en Wet PARTA)
    Er is sprake van een kostenstijging voor het Zorg- en Veiligheidshuis Zaanstreek-Waterland (ZVH ZaWa). Dit komt doordat zij nieuwe wettelijke taken moeten uitvoeren volgens twee wetten:
  • Wet Gegevensdeling in Samenwerkingsverbanden (WGS): Door de WGS zijn de wettelijke taken van het Zorg- en Veiligheidshuis binnen de persoonsgerichte aanpak (PGA) zwaarder geworden. Er is meer werk dat blijvend moet worden uitgevoerd.
  • Wet Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering en Terroristische Activiteiten (PARTA): De taken rondom contraterrorisme, extremisme en radicalisering (CTER) worden al een paar jaar door het Zorg- en Veiligheidshuis uitgevoerd. Dit is een extra taak, maar hiervoor is nooit structureel geld beschikbaar gesteld.

    Het Zorg- en Veiligheidshuis voert deze taken uit namens de gemeenten in de regio. Daardoor zullen de gemeenten vanaf 2027 meer moeten betalen. Voor Zaanstad stijgt de jaarlijkse bijdrage met € 0,125 mln. In 2026 zijn de kosten ook al hoger, maar dat wordt dat jaar nog één keer betaald uit de eigen reserve van het Zorg- en Veiligheidshuis. Vanaf 2027 moet het dus structureel in de gemeentelijke begrotingen worden opgenomen. Er komen geen extra financiële middelen van het Rijk voor deze taken.
  1. Lagere opbrengst fietshandhaving
    De gemeente handhaaft op het verkeerd stallen van fietsen en op weesfietsen in de openbare ruimte. Als een fiets uit de openbare ruimte is weggehaald, kan deze tegen betaling worden opgehaald. Het aantal verwijderde fietsen dat wordt opgehaald blijft structureel achter bij de verwachting en leidt daarmee tot lagere baten dan begroot. Het betreft een bijstelling van € 0,1 mln.
  2. Juridische capaciteit voor lopende procedures i.v.m. Omzettingsbeleid 2007
    Op dit moment lopen er meerdere juridische procedures in verband met het Omzettingsbeleid 2007 waarbij om een schadevergoeding van de gemeente wordt gevraagd. Dit betekent dat inhoudelijke en procedurele juridische expertise nodig is voor de periode 2026-2028. Op dit moment ontbreekt de noodzakelijk juridische expertise, wat gezien het belang van het dossier vereist is.
  3. Stelpost onderbesteding product 3.1 niet haalbaar
    In de voorjaarsnota 2024 is, in het kader van scherper aan de wind varen, een structurele stelpost onderbesteding van € 0,2 mln. opgevoerd als taakstelling op product 3.1 op basis van een analyse van de jaarrekeningresultaten. De onderbesteding waar dit op toezag betrof incidentele voordelen op met name de uitvoeringsovereenkomst met de omgevingsdienst en op het groen- en waterplan. Voor het groen- en waterplan was gebrek aan projectleiding de incidentele reden van onderbesteding. Dit team is op orde gebracht. Voor de omgevingsdienst geldt dat reeds een bezuiniging van 2% is opgelegd en dat zij daarnaast in hun begroting en dienstverleningsovereenkomst strakker zijn gaan ramen. Verdere invulling van deze taakstelling is derhalve niet haalbaar.
  4. Tractiekosten grofvuil en dumpingen
    De inhuur van vrachtwagens voor de inzameling van grof huishoudelijk afval en dumpingen is sinds 2023 met name door prijsontwikkelingen flink duurder geworden. Ondanks dat dit een structureel effect is, is de begroting van de afvalstoffenheffing hier de afgelopen jaren steeds incidenteel op aangepast. Reden hiervoor was de ambitie om de aankoop van duurzame wagens te verkennen waarvan de kosten nog niet bekend waren. Er zijn echter nog geen duurzame alternatieven in de markt, waardoor nog ingehuurd moet worden. Derhalve wordt de begroting nu structureel aangepast met dekking uit het tarief afvalstoffenheffing. Aangezien deze kosten reeds onderdeel waren van het tarief afvalstoffenheffing 2026 leidt dit niet tot een verhoging van het tarief afvalstoffenheffing 2027 (t.o.v. 2026).
  5. Haalbaarheidsonderzoeken IHP
    Er zijn 2 haalbaarheidsonderzoeken voor onderwijshuisvesting nodig:
  • Elif Zuid: Het schoolbestuur heeft van het Rijk toestemming gekregen om een nieuwe school te stichten. Op dit moment wordt er gebruik gemaakt van tijdelijke huisvesting (op de Jachtenlaan). Er wordt daarom in 2026 een HBO uitgevoerd voor de Tjotterlaan 2 (€ 0,05 mln.)
  • Elif Noord: het schoolbestuur heeft een aanvraag ingediend om een school in Zaanstad Noord te mogen starten. Het Rijk beslist hier medio juli 2026 over. Om te kunnen anticiperen op het besluit, wordt er een HBO opgevoerd in 2026 (€ 0,05 mln.). Als het Rijk negatief beslist, zal € 0,05 mln. bij het volgende  P&C moment vervallen.


  1. Reeds genomen raadsbesluiten- bijstelling naheffingsaanslagen parkeerbelasting
    Op 18 december 2025 heeft de raad besloten het aantal verwachte naheffingsaanslagen voor 2026 bij te stellen naar 34.800. Dit leidt tot een extra opbrengst van € 0,107 mln. Daarnaast heeft de raad op 27 november 2025 besloten van 3 naar 2 parkeerzones te gaan. Als gevolg hiervan stijgt het aantal naheffingsaanslagen met 1.300 naar 36.100 en daalt de parkeeropbrengst beperkt. Dit levert per saldo een extra opbrengst van € 0,067 mln. extra op.


Bestemming jaarrekeningresultaat 2025
De jaarrekening 2025 laat een voordelig saldo zien van € 18,4 mln. Bij de narap 2025 heeft de raad besloten € 0,5 mln. hiervan te bestemmen voor een aanvullend subsidiebedrag voor evenementen(subsidies). Het resterende jaarrekeningresultaat is € 17,9 mln.

In de jaarrekening 2025 is een actualisatie opgenomen van de financiële risico’s van de gemeente en de dekking die daar tegenover staat vanuit het weerstandsvermogen (de algemene reserve en de post onvoorzien). De jaarrekening laat zien dat de financiële risico’s fors zijn toegenomen. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door de uitspraak van de rechter inzake het erfpacht Omzettingsbeleid 2007. Als gevolg hiervan is de weerstandscapaciteit van Zaanstad onvoldoende. Om op de ondergrens van het benodigd weerstandsratio van 1,4 uit te komen, is een bijstorting in de algemene reserve van zo’n € 30 mln. benodigd.

In eerste instantie wordt volgens de financiële verordening het rekeningresultaat 2025 gebruikt om de algemene reserve aan te vullen. In deze voorjaarsnota stellen we daarom voor het rekeningresultaat van € 17,9 mln. in de algemene reserve te storten. Daarnaast is een aanvullende storting benodigd van € 12,1 mln. om op het benodigd weerstandsratio van 1,4 uit te komen. Het saldo van de voorjaarsnota laat een voordeel zien van € 2,5 mln. in 2026. Op het moment dat deze aanvullende storting plaatsvindt, ontstaat een begrotingstekort van € 9,6 mln. Het is aan de nieuwe coalitie om te besluiten hoe er met deze storting en het begrotingstekort wordt omgegaan. Het voorstel is daarom de besluitvorming hierover uit te stellen tot het coalitieakkoord gesloten is en vervolgens in het eerstvolgende P&C document de uitkomst te verwerken

Deze pagina is gebouwd op 05/21/2026 16:57:52 met de export van 05/21/2026 16:53:31